zondag 1 december 2013

DEMER



"Den  Deimer" is onverbrekelijk verbonden met mijn jeugd, zijn charmes zowel als zijn onhebbelijkheden.
Ik ben niet vergeten hoe in het “Twiëlbroek”, destijds een prachtige straat met zijn talrijke charmante bruggetjes, de nog actieve brouwerij Cerckel stoom en schuim uitblies over het water en de “overtolligheden” van de produktie onbeschaamd in de rivier uitstortte. "Collateral dammage" van het Diesters bier…
Nog zie ik in mijn herinnering hoe in de Vissersstraat werkmannen “van ’t stad” met grote schepnetten de dode vissen opschepten die met honderden op het water dreven.
“De citrique!!” zeiden de mensen dan. Berustend. Want tegen de Tiense suikerbazen was blijkbaar geen kruid opgewassen.
En hoe vaak heeft een overstroming van ’t Sint Job mij er niet toe verplicht langs een alternatieve route door het “rampgebied” van de Demer naar dat andere rampgebied, het Atheneum, te fietsen.
Halfweg de jaren 70 verzorgde ik de (grappig en wat tegendraads bedoelde) rubriek “KVT DIESTels” in “Voetlicht”, het huisblad van het Koninklijk Vlaams Toneel.
Ooit - het was volop verkiezingstijd - pleitte ik daar voor het oprichten van een nieuwe politieke partij in Diest.
DVO zou die moeten heten en ze zou maar één programmapunt hebben: den “Deimer Vroem Open”.

Dat getuigde van visie, maar het heeft zijn tijd geduurd voor de eerste schop juichend en ook mopperend de grond in ging en tot een begin werd gemaakt met de werken om te redden wat er nog te redden viel.



Demer

(voor mijn ouders)

Demer,
schone slaapster
van mijn stad.

Waar de blijmoedige knaap
die nog net niet mijn vader was,
onder de doodsreutels vanuit
het nu verdwenen slachthuis,
ooit sierlijke figuren zwom
in je ongerepte water.

Waar hij, langs je groene walkant,
onbekommerd viste
op katvis en op stekelbaars,
en op de vage roddels die,
langs de Visserstraat, fluisterend
vanuit de stad kwamen aangewaaid.

Waar hij, met strohoed, strak in ‘t pak,
hand in hand wandelde
met dat aanbiddelijk blozend meisje,
dat giechelend om al zijn vlotte praatjes
toen nog geenszins kon vermoeden
dat zij weldra mijn moeder worden zou.

Demer,
sluimerende ziel
van mijn stad.

Ook ik heb je nog gekend,
oningeklemd en ongetemd,
ongedempt en ongeremd,
wellustig je weg kronkelend
binnen de oude stadswallen,
van de Petrolpoort tot den Amer.

Nog even is je loop verborgen,
in asfalt en beton gesmoord.
maar eens komt de dag dat je,
triomfantelijk bevrijd uit je keurslijf,
de stadsgezichten van mijn jeugd
zoals weleer fier zult weerspiegelen.


rik tulkens
stadsdichter Diest 2012-2014
stadsgedicht Nr 5