donderdag 5 december 2013

DIEST

Poetus nascitur non fit





Oratio bij de aanstelling op 17 oktober 2012

Geachte vooraanstaanden, hier vooraanzittend,
Mijn lieve familieleden hier aanwezig,
Goede vrienden en bekenden,
Beste verplichtingen,
Stadsgenoten en buitenlieden,

Ik wil niet verbergen dat het mijn ego uitermate streelt uit 3862 (grapje!) zeker even bekwame kandidaten te zijn uitverkoren als vierde stadsdichter van Diest, en dat bovendien in het spoor van drie zo eminente voorgangers: Ina Stabergh, Marcel Van Passel en Eric Vandenwijngaerden.
Onsterfelijkheid kome hen toe!!
Enkele hier aanwezigen kunnen, sinds vorige zondag, verkiezingsdag, correct inschatten, wat zo een “verkiezingsoverwinning” met een mens zoal doet...
Maar tevens besef ik hoe loodzwaar dit eervolle mandaat vanaf nu plots op mijn vergrijzende schouders neerploft.
Want sinds enige tijd had ik mij ermee verzoend dat het ogenblik wel stilaan gekomen was om een chagrijnige oude man te worden.
Om voortaan nog enkel eigenzinnig en dwars tegen de stroom in te varen.
Om een zure dwarsligger te worden die iedereen danig op de heupen werkt.
Het zalige ogenblik leek eindelijk aangebroken dat mijn mening totaal irrelevant mocht zijn.
En nu heb ik mezelf, en jullie mij, uitgerekend dit aangedaan!!
Voor wie mij, binnen en buiten dit selecte gezelschap van vanavond, niet kent, hier toch wat obligate feitelijkheden.
Mijn naam is Rik Tulkens.
Ik ben een fiere nazaat van een familie die - generatie na generatie uit de werkmansbroek geschud - onlosmakelijk met deze stad is verbonden.
En dat sinds mijn verre voorvader Hendricus Tulkens (geboren in 1819 in Aldeneik bij Maaseik), na zijn legerdienst besloot hier zijn ransel leeg te maken in de gewillige schoot van een plaatselijke schone en in deze stad zijn nest te maken.
Dientengevolge ben ik - vele leeggemaakte ransels later - op 23 augustus 1943 geboren in Diest, Wolvenstraat 1, en ben ik, op verschillende adressen binnen en buiten de wallen, in deze stad woonachtig geweest tot april 1995.
Sinds dan ben ik als niet integreerbare Limburger gedomicilieerd in Paal-Beringen.
Wanneer, bij weifelende valavond of in het weemoedig seizoen dat de bladeren vermoeid loslaten, het heimwee naar de stad mijner voorvaderen mij naar de keel grijpt, is het mij een troost te weten dat ik de facto toch maar amper 700 meter over de Diesterse stadsgrenzen héén ben geëmigreerd.
In vervlogen tijden had ik van waar ik nu woon nog net de ongedempte Demer kunnen ruiken. Als de wind maar even gunstig zat.
Sommigen zullen zeggen: als de wind maar even ongunstig zat…
Aan die ontheemde Limburgse overkant ben ik mijn stad zo nabij gebleven dat mij, op mijn indringend verzoek, zelfs een telefoonlijn werd toegekend die nog volop geurt naar de 013-zone van Diest. Jaja, telefoon in Limburg!!
Ik “studeerde” - laat ons het zo maar noemen - van 1949 tot 1951 aan het Sint Jan Berghmans-college, aan de “Kol-moijen” op de Veemarkt van ‘52 tot ‘54 en aan “den Athenée” van ‘55 tot ‘58. Grieks-Latijnse uiteraard. Ik kan mij trouwens niet herinneren dat er ook andere richtingen waren…
Vanaf 1958 verdwaalde ik - via de Cadettenschool van Lier en de Militaire School - in een gevarieerde en ambulante militaire loopbaan die mij nochtans nooit van mijn stad heeft kunnen vervreemden.
Mijn eerste publicatie dateert van 1952: een schandelijk ingekorte lezersbrief in het weekblad “Het Kapoentje”, het woensdagbijvoegsel van de krant Het Volk waarop mijn ouders, op aanraden van mijnheer onderpastoor, een abonnement hadden…
Veel kilo’s later publiceerde ik, naast 2 geleerde universitairachtige thesissen, een cursus Begrotingsrecht in zeven uitgesproken dorre delen.
Wat, bij wie me kent, terecht, wat wenkbrauwen zal doen fronzen.
Want non-fictie is nooit mijn sterkste punt geweest. En het bij die gelegenheid behandelde onderwerp leende zich niet echt tot de vrolijke kwinkslagen die voortdurend in mijn hoofd haasje-over deden.
Maar dat was vroeger.
En kijk, inmiddels telt mijn eigen lijf zelf wat meer dan zeven dorre delen…
Wel denk ik met ingehouden fierheid terug aan de twee avondvullende cabaretprogramma’s die ik tussendoor pleegde.
En die met beleefde welwillendheid werden onthaald in Diest, en elders te lande: “Proficiat Mevrouw Hitler, ’t is een jongen” (cuvée 1993) en, meer recentelijk, Blessuretijd (cuvée 2010).
Als “stadsdichter” zou ik, naar believen van de Muze - die een grillige maîtresse is - zowel poëzie als “columns” willen produceren.
De gedichtjes die ik mij ambtshalve voorneem te schrijven zullen niet voortstrompelen op wollige woorden en vage metaforen.
Het zullen eerder vingeroefeningen van relativerende strekking worden.
Wie mij kent zal dat niet verbazen.
Mijn eerste “stadsgedicht” draagt, na lang wikken en wegen, de verrassende titel “Diest”.
Ge moet er maar opkomen…



Diest
(Probatio pennae si bonna sit)

Diest,
mijn liefelijke stad
in zakformaat,

ooit achteloos
verloren gelegd
in de dromerige
oksel van de Demer.

eens militair bolwerk,
angstig opgemetseld tegen Oranje,
dan, bij gebrek aan boze vijand,
schuchter uit al zijn Vesten gegroeid.

Diest,
mijn liefelijke stad
in pocketuitgave,

te vangen in een oude
Shoe-Post schoendoos,
amper plaats genoeg voor
zelfs maar een Halve Maan.

in je smalle straten, waar nog
de oude koopmansgeest spookt,
net voldoende ruimte
voor eenrichtingsverkeer.

Diest,
mijn liefelijke stad
op mensenmaat,

zo vredig als het
kerkhof van Srebrenica…

maar niet zo groot natuurlijk.

rik tulkens
stadsdichter Diest 2012-2015
stadsgedicht Nr 1

Ik zal mij uiteraard tijdens mijn mandaat gedragen zoals dat van een dichter wordt verwacht.
Ik heb inmiddels een bod gedaan op één van de glitterpakken van Eddy Wally die momenteel in de uitverkoop liggen.
Daar waar het nog meewil, zal ik mijn haar uitbundig laten groeien.
Ik zal voortaan een schaamteloos gat in de dag slapen.
Om dan, ver na de noen, te ontbijten met een paar volwassen glazen absint.
En ik zal er aansluitend op rekenen dat in de dan zelfgecreëerde moerassen van mijn geest, af en toe enkele heldere luchtbellen zullen opborrelen die met enige welwillendheid stadsgedichten kunnen worden genoemd.
Ik dank iedereen voor het in mij gestelde vertrouwen.
Dat vertrouwen wordt nu in dank en zo dadelijk ook in drank afgenomen.
Ik kan alleen maar nederig proberen dat vertrouwen niet te beschamen.