maandag 2 december 2013

KUNSTKAAI 2012

Kunstkaai 2012 dekte een variëteit van activiteiten die in de donkere dagen voor Kerstmis licht brachten in de Diesterse binnenstad.
In de aanloop was er de artistieke ommegang “Prekunstkaai” voor dewelke twaalf kunstenaars zich lieten inspireren en op verschillende locaties, verspreid over de stad, hun werk exposeerden, badend in originele belichtingen die dan weer door lichtkunstenaars werden gerealiseerd.
Op de Kaai zelf werd voor de cadeaujagers een alternatieve kerstmarkt georganiseerd waar individuele kunstenaars, ontwerpers en creatievelingen hun werk aanboden: sculpturen, illustraties, schilderijen, ceramiek, handgemaakte handtassen, en andere produkten van huisvlijt zoals bratwurst en glühwein.
Mij werd gevraagd een tekst te schrijven voor het 20 minuten durend en uitbundige licht-, klank-, en dansevenement bij de nocturne afsluiting van Kunstkaai 2012.

Bij enig historisch gemijmer ontstond het stadsgedicht “Kaai”



Kaai

(voor Kunstkaai 2012)

Diep onder de plavuizen
van d’ oude Demerkaai
sluimert een verleden
dat niet is bijgebleven.
Maar wie goed luistert
hoort hier nog
het dof geroezemoes
van ‘t vroegere handelsleven.

Hier sidderen nog de keien na
onder ‘t sonoor gedreun
van ‘t laden en van ‘t lossen
van ‘t sjouwen en ’t gevloek.
Hier hoor je het geratel nog
van de vermoeide karren
van de kramers en de venters
op weg naar ’t marktbezoek.

De oude Demerkaai
in ver vervlogen tijden
de nijvere oeverwal,
de toegangspoort die open bleef
naar onze oude stad
waarlangs, op zwaarbeladen boten,
vanuit het verre hinterland
de welvaart hier naar binnendreef.

Hier werd de Boomse steen gelost
die dan, door sterke armen,
naar ginds, hoog boven de Kapel,
moest worden weggesjouwd.
Alwaar, naar ‘s koningswens,
één oog angstvallig op het noorden,
den Hollander verwensend,
een citadel werd opgebouwd.

Geen ooievaar of groene kool,
geen verre Congo-boot
maar de logge demerschuiten
brachten de baby’s op hun reisjes.
Want aan de Kaai, zo werd verteld,
werden de boor’lingen gebracht:
bij bruin zeil dreef een jongetje aan,
een wit zeil bracht de meisjes.

De oude Demerkaai
in ver gevlogen tijden
de brede uitgangspoort
van deze stad, waarmee
wat hier met nijver vakmanschap
en ware liefde was gemaakt,
na veel versassen en versluizen,
zijn weg vond naar de zee.

Vanuit het Speyker aangevoerd
werd hier het graan geladen
bestemd voor ‘t dagelijkse brood
van wie geld had in de buideltas.
Bekaaid bleven zo de sjouwers achter
met een niet te stelpen hongerwond
en met het knagende besef dat
hùn broodje lang nog niet gebakken was.

Laadplaats voor het fijne laken
dat, eerst geverfd in gindse gracht,
en in de Halle scherp geveild
na driftig hand op handgeklap,
dan stroomafwaarts werd uitgevaren
door de rijke handelslieden
die ginder ver, net zoals hier,
de lakens wisten uit te delen.

Laadplaats voor het ragfijn kant
geduldig in elkaar geklost,
in de rust van hun besloten hof,
door manschuwe begijnen,
in kuisheid en devoot gebed,
wanhopig op de Heer vertrouwend,
en waarmee de faam van deze stad
buiten zijn grenzen uit kon deinen.

Hier werd het Diesters bier geladen,
het bier dat, hier niet ver vandaan,
in de vele brouwerijen
langs de benevelende oevers.
uit onbezoedeld demerwater
vakkundig klaar geprutteld werd,
volgens Duysterse recepten,
van voorgeslacht tot nageslacht,
eerst Oomsje en dan Oomsjes kinderen,
als in een vicieuze Cerckel,
Bier dat gevat was aangerold,
door ruwe volkse mannen,
naief tegen de bierkaai vechtend.
Mannen weten nooit waarom..

Ja, wie goed luisteren wilt hoort nog
hoe, ginder in ‘t café du Demer,
de vreemde koopmanslieden
baldadig lallend en vilein
bij brandewijn en donker bier
kwijlend hun stuivers tellen
op de zondig blanke dijen van
de dochter van de kastelein.

Kaai, vertrouwde aanlegplaats,
samen met mijn jeugd gedempt,
gooi terug je bedding open.
en laat mij hier nog maar heel even
aan je vertrouwde boorden,
mijn grote bek heel wijd gesperd
de ogen dicht, in puur genot,
wild als een kaaiman leven.


rik tulkens
stadsdichter Diest 2012-2014
stadsgedicht Nr 4