dinsdag 22 oktober 2013

GEDICHTENPANEEL "SAMENLOOP"

Inhuldiging

Op 31 augustus 2016 werd, in de aanloop naar de feestelijke heropening van de Demer en op één van de mooiste plekjes van Diest, in intieme kring, een paneel met het gedicht "Samenloop" ingehuldigd. 
Wie wil weten wie dat fris meisje (Oh muze!) daar doet bij die twee belegen senioren en wie wil herinnerd worden aan het scheppingsverhaal van dit gedicht (her)leze de commentaar bij stadsgedicht #15 hierboven.



























Uit goed ingelichte bron werd vernomen dat mijn oratio tijdens deze "plechtigheid" nogal de mist in ging: terrasgeluiden, marktkabaal en werfverkeer op de achtergrond, overrazende vliegtuigen boven het hoofd.
Dan maar langs deze weg ook van die speech een voetafdruk voor de eeuwigheid achterlaten.

Mensen van ’t stad en mensen van op de boer,
U kunt niet  geloven hoe fier ik ben met wat hier vandaag staat te gebeuren.
Hier op deze plek, midden in deze prachtige stad die voor altijd mijn liefelijk lief zal zijn.
Daarom, voor dat we aan de serieuze dingen beginnen, eerst een oprecht woord van dank.
Aan Falke die het idee had.
Aan Jos, onze schepen van Cultuur, die het een goed idee vond.
En natuurlijk aan Astrid die er dan alleen maar even moest voor zorgen dat dit goed idee realiteit werd…
Natuurlijk… ik had liever een bronzen standbeeld op de Grote Markt gehad.
Schouder aan schouder met Cleynaerts.
Cleynaerts en de Tulkensen die accorderen heel goed, dat weet iedereen.
Maar ik begrijp ook heel goed dat dit niet mogelijk was.
Het brons is onbetaalbaar de dag van vandaag en voor een atletisch lichaam als dat van mij is héél veel brons nodig, dat begrijpt ge wel..
En bovendien: de stadskas is leeg naar het schijnt.
Na die facelift van mijn liefelijk lief.
Alle begrip dus. En een paneel is toch ook niet niks…
Ik zeg nogal eens dat een gedicht niet “geschreven” wordt, maar dat het “op bezoek” komt.
Dat het zichzelf inviteert eigenlijk.
Zoals een Hollander.
En zoals sommige Belgen.
En kijk: de eerste regels van wat een stadsgedicht  zou worden, vielen zo maar holderdebolder en zonder bellen via de voordeur bij mij binnen.
Gewoon bij het zien van een oude postkaart van het Spijker…
De volgende zinnen lieten echter wat meer eieren onder hun gat leggen en strompelden er veel onwilliger  achteraan.
Ik dacht toen: kom, ik doe een oproep via Facebook en ik inviteer ander poëtisch gehandicapte Diestenaars om mee te schrijven.
Ik dacht zo: wat kan er meer een stadsgedicht zijn dan het product van zo een gezamenlijk “gemettel”.
Maar veel succes had mijn oproep niet.
En ik was de wanhoop nabij tot een zekere Karolien Heylen, een lief boerenmeisje uit Schaffen,  een koppel bevlogen zinnen afleverde die, oh mirakel, zo perfect pasten bij hetgeen ik in mijn hoofd had.
En zo groeide stroof per stroof en na een aantal werkvergaderingen, “Samenloop”,  als een harmonieuze quatre-mains.
Het was daarom dan ook niet meer dan billijk dat dit gedicht dankbaar “aan Lien” werd opgedragen.
Wie oud genoeg is weet dat destijds het water, bij het binnenkomen van Diest twee armen kreeg.
Eén arm drong de stad binnen via het Sint Job. Dat is de arm die nu terug werd opengespit.

Den andere arm, de Verversgracht, kwam langs het Twiëlbroek deze richting uit.
En na hun solo parcours vonden die twee armen mekaar hier op deze plek bij het Spijker terug. En vloeiden ze samen om de tocht naar zee te vervolgen.
Dit waterverloop leek ons een mooie metafoor.
Het leek te staan voor twee oude geliefden die mekaar ergens, stroomopwaarts in het leven,  jammerlijk uit het oog waren verloren en die, door een gelukkige samenloop van omstandigheden, elkaar hier op deze prachtige plek terugvinden.
En die dan hier, midden in de stad, het verleden achter zich willen laten en nog even willen lanterfanten, alvorens hun levensloop samen verder te zetten




SAMENLOOP
(voor Lien)

laat ons hier tijdloos samenvloeien
val hier maar dromend in mijn armen
spijker je vast in al mijn dagen
omspoel mij hier zonder erbarmen.

laat ons elkaar hier overstromen,
uit de vertrouwde bedding treden,
door niets of niemand in te tomen,
want morgen is vandaag vergleden.

laat ons hier gulzig samenkolken,
bevaar me en wees roekeloos,
de weg naar zee zoeken we later,
mijn traagte duurt hier oeverloos.

laat ons hier eerst nog wat verwijlen
en enkel drómen van de zee,
maar ben ik niet meer te bedaren,
stroom dan gewillig met me mee.

zo zijn wij midden deze stad
de armen die elkander vinden
en die vergeten hoe ze eerder,
en elders, andere oevers minden.
  


Lieve vrienden.

Heel onlangs werd hier op deze plek door nachtelijke vandalen een huisje verbrand.
Een werftoilet.

Het was dus wel geen heilig huisje, maar het bevestigt toch dat er barbaren tussen ons leven.

Ik wil maar zeggen: ik hoop dat dit prachtige paneel er volgende week nog staat.

En de week er na ook nog.
En de week er na, en…

Houden jullie het mee in het oog?


Ik dank jullie voor het komen.
Leve Diest, de stad van mijn hart.

Leve dit liefelijk lief van mij.




Met dank aan de schepen van cultuur en aan zijn ijverige "meisjes van cultuur", Falke Lambrechts en Astrid Peeters.