maandag 28 oktober 2013

SUITE IN F-MINEUR

Opus 1 - MISSCHIEN

(voor F.)

Terugziend in verwondering,
met zoveel beelden in mijn hoofd,
wat zal ik onvergetelijk noemen?

Misschien
die zomerse dag
die we achteloos
versnipperden
op het strand?
je verblindend witte bikini,
overrompelend net-te-krap,
de wolk van zonneolie,
en de geur van verse broodjes
die je had meegenomen,
maar ook de kleffe
walm van morgen
reeds tastbaar in de lucht...

Misschien
die zondagmorgen
in de onwezenlijke junizon,
op de rommelmarkt?
waar je gekke hoeden paste
waarbij de kleurige linten
dansten om je
aanbiddelijke hoofd,
terwijl je inmiddels,
met ondraaglijke lichtheid,
over “hem” praatte,
en niet over ons..
De dofheid die je dan
diep in mij plantte...

Misschien
die lenteavond
op het terras
van die landelijke herberg?
waar de dienster
ons vriendelijk vroeg:
“Hebben jullie al gekozen?”
en ik euforisch antwoordde:
“Ja...voor elkaar..”


Misschien
de herinnering aan
je mansardekamer?
met de maan die
door het dakvenster gluurde,
goedkeurend knikte,
gepast de blik afwendde
en zich diskreet
in een wolk wikkelde

Er waren zoveel
gestolen momenten
die mij deden denken
dat er aan ons
geen einde komen zou,
terwijl de klok nochtans jou
en alle uitzicht op nadien
reeds genadeloos wegtikte.

Er leek zoveel
onvergetelijk te zijn,
zoveel
dat weldra

zal vergeten zijn

Opus 2 - AANWEZIGHEID

(voor F.)

je hebt me zo vaak alleen gelaten,
maar al die leeggelopen uren
heb ik gewoon geleefd
alsof je nog steeds bij me was.

vannacht nog, toen ik
door wat oude dromen dwaalde,
zag ik je schim weerkaatst
in een Brussels winkelraam.

en niet later dan gisteren liepen we,
in mijn schrijnende gedachten,
ver naast elkaar en van elkaar
door ‘t bottende Tervuurse bos,

jij,
zonder oog voor wat ik
voor het grijpen legde,
balsturig in jezelf gekeerd,

en,
terwijl in een verre dreef
een verloren hond,
- nog meer verloren dan ikzelf -
om al je aandacht blafte,

ik,
die, beter dan wie ook,
toen al wist hoe onbegaanbaar
het door mij gekozen pad wel was.

zo zie je maar:
hoe elders ver je ook wel bent,
hoe schrijnend ook de leegte is,
je zult er altijd toch een beetje zijn.

Opus 3 - ONBEREKENBAAR

(voor F.)

mijn onontcijferbaar lief,
zo onberekenbaar
dat een fatale rekenfout
van bij de aanvang
wél te voorspellen was,
nu jij in verre armen slaapt
maar steeds nog harteloos
door mijn oude dromen spookt,
nu kan ik slechts machteloos hopen
dat je beeld zozeer verschimmen zal,
dat ik zelfs je naam vergeten kan,
dat ik je eindelijk achter mij kan laten,
onberoerd, zoals een slang niet omkijkt
naar het oude vel dat ze heeft afgestroopt

hopen dat ik ooit eens kan vergeten
hoe zacht je borsten mij bedwelmden,
hoe zoet mijn lippen soms verdwaalden,
terwijl jij me mondjesmaat beminde,
en je, één oog steeds op de nooduitgang,
hooghartig lachte om mijn gretigheid.
hopen dat ik ooit vergeten kan,
die gestolen zomerdag aan ‘t strand,
onze tochten door de grote stad,
of door het bos, als jonge honden,
hoe ik verguld naast je liep te pronken,
een toekomst voor ons twee verzinnend.
en, verdringend wat ik heden weet,
hopen dat gisteren zo maar terug kon komen…

maar hoe het was keert nooit meer terug,
de fluwelen trein hebben wij gemist,
verkeerde plaats, verkeerd station
verkeerd moment, verkeerd perron.
En hoezeer ik ook toch wil vergeten,
- in vergeten ben ik niet zo goed -
hoe onberekenbaar jij toch waart,
al zou ik tellen tot mijn hersens doven,
in de som van al wat ik ooit ben kwijtgeraakt

ben jij onschatbaar veel te groot.

Opus 4 - TEVERGEEFS

(voor F.)

Als een goede maaltijd,
wachtend op je honger.

Als een gewillig paard,
wachtend op je spoorslag.

Als een zwijgzaam klavier,
wachtend op je aanslag.

Als het beloofde land,
wachtend op je intocht.

Als een kwetsbare vesting,
wachtend op je bestorming.

Als een oude vulkaan,
wachtend op je uitbarsting.

Zo was ik.
Zo leefde ik.
Altijd wachtend.
Altijd op jou.

Tevergeefs.


Opus 5 - ONDERGANG

(voor F.)

wij liepen langs het strand
in bitsig zwijgen naast elkaar
de stijve bries tussen ons in
waaide de laatste woorden weg

wij telden onze dagen na
als aangespoelde schelpen
en zagen beiden hoe de zee
zich diep ontgoocheld terugtrok

en ik besefte dat moment
dat ik voor jou die hele tijd
nooit meer geweest kon zijn
dan ondermaatse bijvangst

en toen de zon
de dag dan ook maar
voor bekeken hield
wist ik het zeker:

het water was nog nooit zo diep
de einder nooit zo ver


Opus 6 - HERINNERING

(Voor F.)

Onder
de dikke
humuslaag
van de
geduldige tijd
worden
de herinneringen
aan hartepijn,
ontgoocheling
en doffe woede,
kundig
vermalen.

en ze vergaan
tergend traagzaam,
tot er niets nog
overblijft,
niets anders
dan de vraag:
wie was jij
ook alweer?

jij ,
aan wie ik mij,
zo schrijnend
heb bezeerd
en die mij dan
zo achteloos,
zo harteloos,
zo radeloos
kon achterlaten?

Opus 7 – NIET IEDEREEN

(Voor F.)

Alzo sprak Don Quichote,
Seigneur van la Mancha,
Ridder met het trieste gezicht

Oh Dulcinea!
Edele Vrouwe,

laat niemand hier
komen beweren
dat jij met iedereen
de lakens deelt,

want iedereen
behalve ik
dat is eigenlijk toch
niet iedereen…


Opus 7 Bis - PAS TOUT LE MONDE

(Pour F.)

Ainsi parlait Don Quichote,
Seigneur de la Mancha,
Chevalier à la triste figure

Oh Dulcinea!
Noble Dame,

que personne
ne vienne prétendre ici
que tu couches
avec tout le monde,

puisque tout le monde
sauf moi
ce n’est pas, en fait,
tout le monde...


Opus 8 - SINDS

(Voor F.)

sinds die bleke
winterochtend,
na die laatste
liefdeloze nacht,
toen je voorgoed
uit mijn leven stapte,
en ik dat ook
net zelf niet deed,
was er geen dag
dat ik niet
aan jou
heb gedacht,
geen dag
dat ik je niet
hartsgrondig
heb vervloekt