maandag 21 oktober 2013

TENTOONSTELLING KANT EN KALIGRAFIE IN DE BEGIJNENKERK

Oratio bij de vernissage op zaterdag 08 oktober 2016

Al vlug na mijn aanstelling tot stadsdichter van Diest, in het najaar van 2012, kreeg ik het vriendelijke verzoek om een gedicht te schrijven over “Kantklosserij”.
Een kant en klare tekst werd gevraagd die ik dan ook misschien zoetgevooisd zou kunnen voorlezen bij de afsluiting later dat jaar van een indrukwekkende kanttentoonstelling, ingericht in de historische kelders van het stadhuis.
Nu had bij mijn aantreden mijn lieve werkgeefster op de dienst Cultuurbeleid mij er van verzekerd dat ik niet noodzakelijk alle verzoeken tot literaire zelfmoord zo maar moest aanvaarden.
Maar kijk, de vriendelijke vraag kwam van Lydia Mertens, de gedreven voorzitster van de VZW Kant in Vlaanderen. En die bleek, bij nader inzicht, dan ook nog eens toevallig de schoonmoeder te zijn van mijn jongste dochter.
Om een slepende familiale vete te vermijden moest ik dus wel “ja” zeggen.
Het was hier geen kwestie van willen.Het was van “moetens”.
Ik had er geen benul van dus.
En al moet ik toegegeven dat het niet de eerste keer in mijn leven was dat ik “ja” zei omdat het van “moetens” was, toch installeerde de faalangst zich onderhuids.

Want mijn vakkennis omtrent “Kant” reikte echt niet verder dan mijn expertise op het gebied van de dansrituelen van de Bosjesmensen ter begroeting van het regenseizoen.
Over “Kant” moest ik mij eerst uitgebreid gaan documenteren…
Dat deed ik, en kijk, een wereld ging voor mij open..
Ik leerde dat, lang voordat het een rustige hobby werd voor geduldige dames, kantklossen keiharde, ongezonde business was.
Met aan de basis ongezonde arbeid die eeuwenlang immers vooral bedreven werd in dompige, vochtige kelders.
Want, zo las ik, een hoge vochtigheidsgraad zorgde er voor dat de fijne draad niet te droog werd en dus niet te makkelijk afbrak…
Kantklossen was eeuwenlang een ziekmakende bezigheid dus en “Kant” was een luxeproduct voor de welstellende upperclass, geproduceerd door arme, vaak heel jonge kantwerksters die niet oud werden…
Ik las en ik ontdekte gaandeweg het verschil tussen “kloskant” en “naaldkant”.
En ik leerde wat een “gewrongen slag” onderscheidt een “linnenslag”.
Ik onthield vooral dat bij het kantwerk de klossen tot het einde van het productieproces steeds paarsgewijs heel trouw samen blijven.
Menig zwalpend huwelijkspaar hier aanwezig kan hiervan een lesje leren.

Terugkijkend op mijn stadsdichterschap stel ik vast dat nadien “Kant” nog een paar keer Lydiaanse aansporing, spontaan dus, opduikt in mijn stedelijk oeuvre.
Zo schreef ik in mijn 4de stadsgedicht - waarin ik onze ondertussen in al zijn glorie herstelde Kaai bezong als centrum van onze vergane handelstrots:

Kaai
(…)
Laadplaats voor het ragfijn kant
geduldig in elkaar geklost,
in de rust van hun besloten hof,
door manschuwe begijnen,
in kuisheid en devoot gebed,
wanhopig op de Heer vertrouwend,
en waarmee de faam van deze stad
buiten zijn grenzen uit kon deinen.

En enkele bevliegingen later kreeg “Kant” ook een plaats mijn 18de stadsgedicht dat het begin van het toeristisch seizoen van 2015 moest begeleiden.
Ik schreef:

Welkom bezoeker,
passant of dagjesmens,
in Diest Oranjestad
en omarm de ze plek
die zo liefelijk
de onze is.
(…)
Betreed het Begijnhof,
en kom tot rust
in die besloten hof,
oase van stilte, waar de wierook
van zoveel niet verhoorde gebeden
nog zwanger in de lucht hangt.

Hier leeft het oude ambacht voort,
geërfd van ascetische begijnen
die met vlijtig kantwerk en intens gebed
de lichaamslusten sublimeerden.
Hopelijk voor hen bestaat de hemel,
zijn ze achteraf niet zelf de klos.

Oh ja, “Kant” is meer dan eens stiekem binnengeslopen in mijn schrijfsels..

Maar niets evenaart natuurlijk de oorspronkelijke opwelling, die eerste kennismaking, die eerste bevlieging, die eerste ervaring
Net zoals het eerste lief later door geen enkel ander iemand naar de vergetelheid kan worden weggekust.
En die oorspronkelijke opwelling  was mijn 2de stadsgedicht dus.
Een tekst die ik natuurlijk, taak volbracht, opdroeg aan Lydia.
Een tekst die ik hier vandaag nog één keer mag lezen op deze prachtige locatie…