zondag 17 november 2013

BIB25 - ACADEMISCHE ZITTING







Oratio van de stadsdichter


Mijnheer de Burgemeester,
Mijnheer de Schepen,
Gestelde en ongestelde lichamen,
Dames en Heren,
Geachte vergadering,

Mijn grootvader bezat slechts één enkel boek.
Ik zie het nog zo liggen.
Rechts op een plankje naast de Leuvense stoof.
En naast het rekje met zijn pijpen.
Mijn grootvader had meer pijpen dan boeken.
En ik herinner mij levend hoe hij telkens weer opnieuw voor mij uit dat dikke boek het scheppingsverhaal voorlas.
En hoe ik betoverd werd door de beelden die door zijn vertelling werden opgeroepen.
Hoe zich, door zijn woorden, in mijn hoofd een luilekker aartsparadijs ontvouwde, waar beekjes vol limonade kabbelden, waar suikergoed aan de bomen groeide en waar de gebraden kippen, lang voor ze dagelijkse kost werden, je zo maar in de mond vlogen. Alsof het elke dag kermis was.

Maar het meest verbijsterd was ik door de verbluffende goocheltruc waarmee de Here God, met één vingerknip, uit een rib van Adam, een vrouw te voorschijn toverde, een wonderbaarlijke verschijning slechts gehuld in een vijgenblad van Armani.

Ik stelde mij toen nog geen vragen bij het feit dat de Schepper, na dit bij de debriefing blijkbaar faliekant beoordeeld experiment, besliste om de verantwoordelijkheid voor het ter wereld brengen van het nageslacht voortaan maar toch maar beter aan de vrouwen toe te wijzen.

Maar elke avond, in mijn puberend bed, telde ik zorgvuldig mijn eigen ribben na en werd ik onrustig bij de gedachte dat het slechts een paar goddelijke vingerknippen scheelde of ik deelde het bed met 24 vrouwen.
Overigens denk ik niet dat mijn grootvader het bezit van slechts één enkel boek als een enorm  gemis heeft ervaren.
De Bijbel was voor hem nog steeds wat dat Boek reeds in de Middeleeuwen was: dé grote universele encyclopedie die alle ultieme waarheden bevatte.
Het Latijnse woord waarmee de Bijbel aanvankelijk werd aangeduid was trouwens niet "biblia" maar "bibliotheca".
En bibliotheca betekende zowel de bewaarplaats van de boeken als het corpus van de teksten zelf die samen het Oude en het Nieuwe Testament vormden. De Bijbel dus.
Zoals eeuwenlang voor hem, was de Bijbel voor mijn grootvader het definitieve handboek dat de volledige synthese en de onbetwistbare verklaring bevatte van zowel het hemelse als het aardse.
En wie zoals hij daaromtrent kennis wilde verwerven kon in deze "bibliotheek" alle antwoorden vinden.
De Bijbel was mijn grootvaders World Wide Web.

Mijn vader had een paar meter boeken.
Die verzameling werd op geregelde ogenblikken aangevuld door een kuise zending van het Davidsfonds en de boeken vonden hun plaats in de door mijn vader zelfgetimmerde boekenkast die, op pré-Ikea wijze soepel meegroeide zodat zijn aanwassende collectie er op elk ogenblik netjes kon in worden opgeborgen.
Maar ook al had hij een bescheiden bibliotheek, mijn vader had in feite ook slechts één enkel boek. Want zijn hele leven lang heb ik hem slechts de trilogie “De mannen van de Bounty” weten lezen en herlezen en dus stuk lezen.

Het exotische verhaal van de muiterij tegen de hartvochtige kapitein William Bligh die door Luitenant Christian Fletcher en zijn opstandig gevolg, in de Stille Zuidzee overboord werd gezet.
Waarna de muiters, samen met een lading frisse inheemse dames, na maanden omzwerving, en om uit de greep van de Britse galg te blijven, op het paradijselijke eiland Pitcairn aanmeerden en hun schip in de fik staken.

Als ik mijn vader vroeg waarom hij telkens opnieuw dat boek ter hand nam dan mompelde hij iets over “de roep van de zee” en “het heroïsche zeemansleven”...
Uit de schoolbibliotheek nam ik voor mijn vader dan ook steeds een “boek over de zee” mee naar huis.
Maar ik denk niet dat hij er ooit in gelezen heeft. Mijn vaders hart toefde blijkbaar enkel op Pitcairn.
Veel later heb ik de Bounty-trilogie zelf gelezen.
En toen besefte ik dat mijn vader niet zozeer gegrepen werd door de “roep van de zee” maar dat het stukgelezen Bounty-boek hem zijn leven lang heeft helpen dromen van een ongerept paradijselijk leven te midden van jonge inheemse meisjes in ontoereikende strooien rokjes aan wie de blanke missionaris de voordelen van een kuise maar beknellende bustehouder nog niet had weten aan te praten.
Ik besefte dat dit beduimelde boek mijn vader toeliet te ontsnappen aan de dagdagelijkse sleur, dat hij zo de saaiheid van zijn banaal kruideniersleven kon dragen en overstijgen.
Het boek was zijn ultieme reddingssloep…
En ik begreep: wie niet leest, leeft maar één enkel leven.

Later, in mijn studententijd, leerde ik bibliotheken vooral kennen als imposante grauwe gebouwen waar, op het eerste zicht, geen boek te bekennen was.
Wel stonden er enorme fichebakken, waarin op goed geluk moest worden gezocht naar hoogstaand drukwerk waaruit dan onbeschaamd kon worden geciteerd om aan een af te leveren universitairachtige thesis een schijn van wetenschappelijkheid te geven.
Na de zoektocht in de fichebakken schreef men de gewenste titels op een formuliertje, men drukte op een belletje en uit de duistere ingewanden van de bibliotheek verscheen dan een grijze stofjas, die, in functie van zijn humeur van de dag, na min of meer lange tijd, de gevraagde stoffige werken op de balie kwam deponeren.

De tachtiger jaren, nog net voor de computer en het internet voor iedereen binnen handbereik kwamen, waren de hoogdagen van het bibliotheekwezen.
Elke stad en elk dorp kreeg zijn Cultuurcentrum en elk Cultuurcentrum zijn Openbare Bibliotheek. Met bijna in elke straat een plaatselijke uitleenpost. Diest kon natuurlijk niet achterblijven.
De stedelijke bibliotheek werd dé plaats waar mijn kinderen op zoek gingen naar documentatie als ze op school een spreekbeurt moesten geven over “Mijn hamster” of, het jaar nadien, over “Mijn hamster”.
Maar de digitale evolutie was niet te stoppen. De kinderen van vandaag lepelen alles op van het scherm: van het televisiescherm, van het computerscherm, van het scherm van de tablet.

Vergeleken met de wondere wereld van het internet vinden ze boeken dikwijls saai en daar hebben ze soms best wel gelijk in ook. Een stapel woorden kan wat mager aandoen als je het vergelijkt met een blitz computerspel waar je de meest wonderbaarlijke avonturen kan beleven door op een knopje te drukken.

Het kan onbegonnen werk lijken maar we zullen ons nageslacht moeten blijven overtuigen van het feit dat een boek helemaal geen banaal stapeltje woorden is, maar een regelrecht wonder, verpakt in een bundeltje papier.
We zullen hen moeten blijven voorhouden dat woorden evenzeer magische knopjes zijn die allerlei beelden, gevoelens, kleuren en geuren in het hoofd kunnen losweken.
Hen leren dat er al lezend een unieke wereld tevoorschijn kan worden getoverd, een wereld die zich moeiteloos vermengt met de eigen ervaringen.
Een wereld die je laat huilen of laat lachen, laat sidderen of intens genieten.

Mijn grootvader had één enkel boek, en mijn vader had in feite ook maar één boek
De vraag is of mijn achterkleinkinderen ooit ook nog meer dan één boek in huis zullen hebben..
Zullen er, terwijl alom gesnoeid wordt in de beperkte middelen die aan cultuur worden toegewezen, binnen 25 jaar trouwens nog wel bibliotheken bestaan?
Of zullen bibliotheken, zoals dat eerder met videotheken en platenwinkels gebeurde, in hun huidige vorm onherroepelijk verdwijnen omdat alles thuis op het scherm, met een druk op de knop, als met een goddelijke vingerknip, vanop een verre server kan worden opgeroepen?
Wie dan leeft zal het antwoord weten.

Vandaag viert de stadsbibliotheek uitbundig feest.
De ervaring leert ons dat wij argwanend moeten staan tegenover te uitbundige plechtige vieringen van historische data.
Ik herinner me nog hoe in oktober 1989 het veertigjarig bestaan van de DDR met een imposante parade werd gevierd.
Net één jaar later bestond de DDR niet meer.
En zelf zat ik in 1996 op een Brusselse eretribune toen het 200-jarig bestaan van de Rijkswacht met een grootse historische evocatie werd gevierd.
Twee jaar later was dit elitekorps door de geschiedenis opgeslokt.


Maar laat deze sombere slotbedenkingen er ons toch maar niet van weerhouden de viering van het 25-jarig bestaan van onze stadsbibliotheek met luister af te ronden zoals belezen mensen dat plegen te doen: laat men de vaten met drank dus maar binnenrollen!!