donderdag 28 november 2013

ZOMER1957

Wie een oudere man tot stadsdichter aanstelt haalt natuurlijk de nostalgie met bakken in huis, het kwijlend gemijmer over vroeger en hoe alles toen leuker was: het leven veel socialer tijdens zomers die schaamteloos warmer waren en die natuurlijk veel langer duurden..
Niet iedereen heeft daar wat aan.
Want natuurlijk heeft niet iedereen de zomervakanties van zijn jeugd op de Halve Maan gesleten, kauwend op “zjizjip” of “tutteflut”.
Natuurlijk weet niet elke toevallige lezer nog wie “den Tist” was, wie André Darrigade en wie Thomas Pips.
En wie heeft nog de geur van gebakken “boestring” in de neus?
Maar de opdracht bij het gedicht Zomer1957 geeft dan ook duidelijkheid omtrent de doelgroep waarop gemikt werd: “voor wie het zich herinnert”.
Met de achterliggende gedachte dat wie lectuur zoekt geschikt “voor lezers van 7 tot 77 jaar” dan maar Kuifje moet lezen.






Zomer1957

(voor wie het zich herinnert..)

vroeger nam de zomer al zijn tijd,
paste niet zuinig op zijn tellen,
telde niet schraperig zijn passen,
wilde van geen wijken weten,
maar sleepte zich vadsig voort,
rekbaar als zjizjip en tutteflut.
wij waren onbekommerd jong toen,
goudvissen in een bokaal vol zon.

de Halve Maan was St Tropez
waar de aankomende meisjes
hun eerste bikini en hun pas
aangeschafte borstjes kwamen showen
terwijl hun ogen, op moedersbevel,
banghartig bliksemden
dat wij, hoewel aankomende jongens,
echt nérgens mochten aankomen.

ongenaakbaar hoog boven het water,
tronend op zijn redderstoel,
keek “den Tist” aandachtig toe
en zag dat wij nog te redden waren,
terwijl uit de krakende luidsprekers
boven de “kabinnekes”
een aankomst in de ronde van Frankrijk
hopeloos verloren ging in het geroezemoes.

“André Darrigade!” riep iemand,
maar de uitslag bleef onduidelijk tot wij
- oh wonder van techniek - een paar uur later al,
alles konden lezen in de “rondegazet”,
rondgeschreeuwd door kwieke krantenjongens,
zodat nog slechts één cruciale vraag overbleef:
waar in de cartoon van Thomas Pips
verschuilt zich vandaag het muisje?


          


als vroeger de zomer
de stad had ingepalmd
en de Demer flink uit de bek stonk,
dan zetten de mensen aan de voordeur
stoelen op de stoep, troepten ze samen
en dan werd daar, in de laffe zwoelte
van de onwillig invallende schemering,
de stadskrant bijeen gekletst.

ergens op een achterkoertje
werd door iemand
een “boesterink” gebakken
boven een zinken emmer
en de geur bracht zoveel anderen
op hetzelfde sluimerend idee
dat weldra de ganse straat
vol vetgebakken haringlucht hing.

die zomer nam het leven
schaamteloos zijn gemak
en rekte zich stroperig uit.
wij waren zonnekinderen,
sterfelijkheid was ons nog vreemd,
de tijd trapte nog niet op zijn adem
en wij dachten argeloos
dat dit eeuwig zou blijven duren.

wanneer toch heeft
de stroomversnelling
zich ingezet?

rik tulkens
stadsdichter Diest 2012-2014
stadsgedicht Nr 8