vrijdag 1 november 2013

CULTUURRAAD

ORATIO BIJ DE HALFJAARLIJKSE VERGADERING VAN DE CULTUURRAAD
St JORISZAAL 01/06/2015
Dames en Heren,
Geachte vergadering,

Diegenen onder u die ook verleden jaar rond deze tijd alhier het geld ter smering van hun vereniging zijn komen ophalen, zullen zich herinneren dat ik toen aankondigde dat ik aan mijn laatste publieke optreden als stadsdichter bezig was.
Hetgeen in deze plechtige ruimte met een zucht van opluchting en met tevreden applaus werd begroet.
Maar kijk, na enig lobbywerk - waarbij het uitdelen van met zilverlingen gevulde enveloppes niet werd geschuwd - werd mijn mandaat verlengd en zodoende zal ik pas de laatste week van januari 2016, op Gedichtendag, door de vergetelheid worden opgeslokt.
Ikzelf zal dan, als witteboord werkman van ’t stad, 24 stadsgedichten en 4 stadscursiefjes hebben aangericht.
Het weze hier dus meteen gezegd: de vacature staat inmiddels gapend open, zo gapend open als de oude Demer-bedding…
Ondertussen zal ik wegens deze verdachte, onbegrijpelijke en onwelriekende mandaatverlenging nog wel even de Sepp Blatter van de stadsdichters worden genoemd...

Ik hoop maar dat niemand van u, en zeker de kandidaat opvolgers niet, onderschatten wat een zware taak een stadsdichter (m/v/o) op de schouders neemt.
Nachtenlang zit hij op een tochtige zolderkamer te zoeken naar de juiste woorden om dan, bij het krieken van de dag, te moeten vaststellen dat niet alleen het blad maar ook de fles leeg is.
Daarbij wordt van de stadsdichter een bovenmenselijke alomtegenwoordigheid verwacht: bovenmenselijk want het is in deze stad niet altijd makkelijk om aanwezig te zijn op alle plekken waar gratis drank wordt verstrekt.
Bovendien vergete men vooral niet dat elk prestigieus openbaar mandaat geweldig “erotiseert”.
Vraag dat maar aan Bill Clinton of aan Dominique Strauss Kahn.
Of straks aan schepen Cluckers, hier tegenwoordig..
Neem het gerust van mij aan: het is voorwaar moeilijk leven als dag na dag vrouwelijke fans zich krijsend verdringen aan het hek van je voortuin terwijl ze, zoals ook Tom Jones mocht meemaken, hun fijne lingerie suggestief over de haag werpen.
Nou ja, fijne lingerie: ik moet hier toegeven dat er af en toe ook wel eens een soortement flanellen feesttent bij was.
Maar soit: het is duidelijk dat voor een stadsdichter, geroepen om tijdens zijn mandaat ambtshalve een liederlijk leven te leiden, een goede gezondheid een eerste en onontbeerlijke vereiste is.
Het leek me dan ook gerechtigheid om in enkele lichtvoetige versvoeten de man te vereeuwigen die mij heel de tijd medisch heeft begeleid en mij er met pilletjes, zalfjes, druppeltjes en goede raad doorheen heeft geholpen.
Het gedicht heet “Mijn lijfarts” en het is opgedragen aan Luc B., die volgens mij de deken is van de Diesterse huisartsen.

MIJN LIJFARTS

(voor Luc. B.)

in de steriele stilte van zijn kabinet,
legt hij zijn wakker oor te luisteren
en leest, veel beter dan ooit enige vrouw,
de hunker in mijn ritselend hart.

heel diep kijkt hij mij in de keel
en vraagt dan: “zeg eens AAA!”
zonder daarbij van mij te eisen
daarna dan ook nog B te zeggen.

in ‘t schurend schrapen van mijn longen
hoort hij een oude doedelzak
die oproept tot de laatste dans,
een laatste wilde horlepiep.

hij kent de stuw van mijn hormonen,
en van mijn bloed, mijn excrementen
van mijn urine en mijn zweet,
kent hij de geheime componenten.

hij kneedt en voelt en visiteert,
hij knijpt en tast, schudt vaag zijn hoofd,
en prikt dan, spuit en ausculteert
en legt een vinger op de wond.

en terwijl ik in mijn blootlichaampje
onwennig naast hem sta
telt hij, terloops, in één twee drie,
mijn witte bloedlichaampjes na.

dan schrijft hij, in onleesbaar schrift,
de pillen en de zalfjes voor:
een pleister voor mijn houten been,
ontstopper voor mijn middenoor.

en dan, voor ik zijn atelier verlaat,
laat hij me nog maar eens verstaan
dat ik maar best moet ophouden met leven
om niet voorbarig dood te gaan.

rik tulkens
stadsdichter Diest 2012-2015
stadsgedicht Nr 23