zaterdag 16 november 2013

DE GROOTE OORLOG


Dulce et decorum est...

We herdachten in 2014 de 100ste verjaardag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, het begin van wat men “de grooten oorlog” is gaan noemen.
We deden dat met stemmige plechtigheden op de vele kerkhoven in de Vlaamse velden en met ingetogen klaroengeschal onder de Menenpoort.
En we legden in Antwerpen een pontonbrug over de Schelde, waar de brave burger, tegen betaling, naar de overkant kon vluchten. Met de vette geur van friet en bratwurst in de neus.
De volkstoeloop was enorm en al vlug liep de trafiek op de brug compleet vast ingevolge de talrijke fotosessies ("schelfies" ging men ze noemen..) die onderweg, ten behoeve van het thuisfront, werden geïmproviseerd 
Er werd gedrumd, geduwd en getrokken, gevloekt, getierd en gescholden, men liep elkaar zowaar onder de voet. De chaos was compleet…
Net zoals in die vreselijke eerste oorlogsdagen.
Een meer historisch verantwoorde evocatie had niemand kunnen bedenken!!

Op het televisiescherm werden oude filmbeelden getoond die laten zien hoe in Brussel, Londen, Parijs en Berlijn, in die eerste augustusdagen van 1914, het Volk enthousiast, in kermissfeer zowaar, samenliep om de jongelieden uit te wuiven.
Jonge mannen die dan, aan boord van een met bloemen versierde soldatentrein en met veel vlagvertoon, wuivend en zingend naar het front afreisden.
Nach Paris!! 
A Berlin!!
Alsof de jongens vertrokken naar een fris en vrolijk vakantiekamp waarvandaan ze - voor Kerstmis - gelouterd en met roem beladen zouden thuiskomen…
Jongelieden die hun familie en hun geliefde achterlieten, zonder te beseften dat ze op weg waren naar de plek waar ze, in gruwelijke omstandigheden, nog veel meer zouden moeten achterlaten: heel hun jeugdig, onvoltooid leven.

Het uitbreken van de oorlog en de patriottische reflex leidde, vooral in Engeland, tot een opstoot van poëzie die nadien onder de noemer “War Poetry” werd gerangschikt.
In eerste instantie romantiseren dichters het frontleven en ondersteunen en stimuleren zij de rekrutering van vrijwilligers.




Het adagio “Dulce et decorum est pro patria mori” (“Het is zoet en eervol voor het Vaderland te sterven”, een tekst overgenomen uit Boek 3 van Horatius’ “Carmina”), werd al in 1913 in de muur van de kapel van de Royal Military Academy van Sandhurst gebeiteld en als leidmotief overgenomen door de “patriottische” dichters.
Ook het wereldberoemde “In Flanders Fields” van Majoor Dr John McCrae (1915) is nog een regelrechte militaristische oproep aan de Engelse jongeren die zich nog niet voor de strijd hebben aangemeld, een oproep om de fakkel van de gesneuvelden over nemen:

(…)
Neem ons gevecht met de vijand weer op:
Tot u gooien wij, met falende hand
De toorts; aan u om haar hoog te houden
(…)

Maar vanaf 1917 of daaromtrent verandert de toon, en er verschijnen steeds meer en meer kritische teksten, vaak geschreven door frontofficieren (Siegfried Sassoon, Wilfred Owen en anderen) die de gruwel van de oorlog aan den lijve ondervonden en deze rauw beschrijven.
Zij verzetten zich tegen de holle, patriottische retoriek en tegen de “bedrieglijke” gedachte dat het inderdaad “ zoet en eervol” is voor het vaderland te sterven…
“The old lie” noemde Owen het in een gedicht van 1917 met de eveneens bedrieglijke titel “Dulce et decorum est”.
Hierin beschrijft hij een chemische aanval en de daaruit volgende afschuwelijke dood van één van de soldaten. 
Zoals in veel van zijn gedichten bespaart Owen de lezers de gruwelijke details niet.

Dulce et decorum est

Zwaarbeproefd, kromgebogen als oude kerels,
Vloekten we ons hijgend hoestend door het slijk.
Achter ons verdween de gruwel van het front.
Voort ploeterden we, naar verder weg gelegen onderkomens.
Er waren er die lopend sliepen. Anderen, hun laarzen kwijtgeraakt,
Strompelden op bebloede voeten.
Uitgeput was iedereen, verstomd, niets ziend,
Doof zelfs voor de vlakbij neervallende gasgranaten.
Gas! GAS! werd er gebruld. Als de donder rukten we
Die rotmaskers net op tijd over ons hoofd.
Een kreeg het niet voor elkaar
En krijste vertwijfeld als een dier in nood.
Vaag zag ik door mijn beslagen glazen, in een dichte waas
Als onder water in een snotgroene zee, hoe hij verzoop.
Elke nacht droom ik van hem. Hij stort zich op mij, kokhalst,
Snakt naar adem en verzuipt opnieuw. Machteloos kijk ik toe.
Jij zou ook eens in zo'n afgrijselijke droom,
Mee moeten lopen met de kar waarop hij toen werd afgevoerd.
Zien hoe hij aldoor zijn ogen opensperde,
Zijn mond open en dicht ging als bij een stomme vis,
En bij iedere gierende ademstoot moeten horen
Hoe het bloed omhoog borrelde uit zijn verrotte longen,
Als gore etter uit een verkankerde wond in een onschuldig lijf.
Mijn vriend, je zou het voorgoed uit je kop laten
Jonge jongens, hunkerend naar heldenroem,
Zo stomweg die godvergeten leugen wijs te maken:
Dulce et decorum est pro patria mori.

Wilfred Owen (1917)
vertaling Tom Lanoye
(in "Niemandsland", Gedichten uit de Groote Oorlog, 2002).

Owen zelf sneuvelde op 4 november 1918 tijdens een actie bij het Sambre-Oise kanaal, net één week voor het tekenen van de wapenstilstand. 
Zijn moeder ontving het bericht van zijn dood op 11 november 1918, terwijl de kerkklokken luidden om het einde van de oorlog te vieren.




In de stijl van de kritische War Poets schreef de stadsdichter, als bitter “in memoriam”, zijn gedicht over “De Grooten Oorlog”

De Groote Oorlog
(in memoriam)

hoor de klaroenen schallen,
ze toeteren dof verdriet,
voor hen die zijn gevallen,
het land vergeet ze even niet.

onder de oude Menenpoort
verdwarrelen de papavers
terwijl menig opgezwollen woord
verdrinkt in plechtige palavers.

maar als de doden konden spreken
vanaf de kille overkant
dan zouden ze ons smeken:
ach zwijg toch over ’t Vaderland.

’t was niet de Koning, niet de Vlag
die ons tot grote daden dreef,
wij stierven denkend aan de lach
van ’t meisje dat ginds achterbleef.

wil voor het nageslacht bewaren,
schrijf het in brons en in arduin,
niet dat wij dappere helden waren,
maar ratten tussen knekelpuin.

wij waren de onwilligen
die door de onbekwamen
blind werden bevolen
het onmogelijke te doen.

zovelen zijn gesneuveld
lang voor het laatste schot,
zij vielen voor een reden
only known unto God.

rik tulkens

stadsdichter Diest 2012-2015
stadsgedicht Nr 17