dinsdag 19 november 2013

FACEBOOK

Op het wereldwijde Facebook (FB) krioelt een zeer gevarieerd publiek dat langs dit venster op de wereld wil laten weten dat het bestaat.
Er wordt gefilosofeerd en er worden frustraties gedeeld, heuglijke en droevige gebeurtenissen uit de privésfeer worden bekendgemaakt, bedenkelijke foto’s van de eigen persoon worden “geshared” en, bij gebrek aan eigen verbeelding, worden andermans goedkope wijsheden en andermans flauwe grappigheden in de vitrine geplaatst…
En het “succes” van het eigen persoontje meent men dan te kunnen afmeten aan het aantal ‘’Vind ik leuks!” die deze boodschappen weten los te weken…
Wat mij hierbij het meest irriteert is dat sommigen ook bij de aankondiging van een slopende ziekte of bij ontvangst van een overlijdensbericht, niets beters weten te verzinnen dan op de knop “Vind ik leuk!” te drukken. Want je zult daar maar doodziek of verstijfd liggen te wachten op het ultieme (v)uur, terwijl 3682 van je “goede vrienden” melden dat ze dat “leuk!” vinden…
Nu is het natuurlijk best handig dat de knop “Vind ik leuk!” bestaat.
Die knop behoedt ons alleszins voor nog meer dt-fouten die op dit medium een nationale sport lijken. Door die knop wordt ongetwijfeld een ontelbaar aantal keren “vint ik leuk!” en evenveel keren “vindt ik leuk!” handig vermeden.
Overigens mag het knoppenaanbod, wat mij betreft, door de ontwerpers van FB, best wat worden uitgebreid. Met bijvoorbeeld “Vind ik helemaal niet leuk!!”, of “Rommel!!”, of het kernachtige “F***!!“.

Maar er sluimeren op dit sociale netwerk ook best wat verborgen parels.
Zo deelt ene Ferdinand Corens met een schare trouwe volgelingen (op de FB-groep “Diest Demer en Vesten”) zijn uitgebreide verzameling postkaarten en laat hij hen kennis maken met verrassende en vaak vergeten beelden van het oude Diest.
Een van zijn oude beelden weekte bij mij spontaan (zou er dan toch iets dichterlijks in mij sluimeren?) zo maar wat woorden los, de eerste twee zinnen van wat ik dacht dat een heus stadsgedicht zou kunnen worden…
En ik begon het idee leuk te vinden om andere stadsgenoten uit te nodigen om samen met mij een gedicht te breien. Want, zo vroeg ik mij af, wat kan meer een “stadsgedicht” worden genoemd, dan de samengevoegde uitwasemingen van zijn bewoners?
Ik lanceerde dus de bevlogen oproep: “Komaan stadsgenoten, gooi de eigen nostalgische bedding open. Er sluimert meer in jullie dan een obligate "Like". Overwin de schroom en schrijf mee aan het Ultieme Diesterse Stadsgedicht..”.

De reacties op deze oproep waren niet overweldigend talrijk.
Maar toch werden door een "aankomende" dichteres (Karolien Heylen) een paar fraaie zinnen aangedragen die helemaal pasten in het concept en die dan ook met waardering werden verwerkt in wat uiteindelijk het 15de stadsgedicht is geworden: “Samenloop”. 
Het was maar billijk dat het gedicht aan deze lichtvoetige muze werd opgedragen: "aan Lien"


Waarbij het beeld van de twee Demerarmen die destijds bij de Spijker terug samenliepen een metafoor werd voor twee geliefden die, door een samenloop van omstandigheden, mekaar midden onze goede stad (terug)vinden en die daar eindeloos willen verwijlen…




Samenloop

(voor Lien)

laat ons hier tijdloos samenvloeien
val hier maar dromend in mijn armen
spijker je vast in al mijn dagen
omspoel mij hier zonder erbarmen.

laat ons elkaar hier overstromen,
uit de vertrouwde bedding treden,
door niets of niemand in te tomen,
want morgen is vandaag vergleden.

laat ons hier gulzig samenkolken,
bevaar me en wees roekeloos,
de weg naar zee zoeken we later,
mijn traagte duurt hier oeverloos.

laat ons hier eerst nog wat verwijlen
en enkel drómen van de zee,
maar ben ik niet meer te bedaren,
stroom dan gewillig met me mee.

zo zijn wij midden deze stad
de armen die elkander vinden
en die vergeten hoe ze eerder,
en elders, andere oevers minden.

rik tulkens
stadsdichter 2012-2014
stadsgedicht Nr 15